Henk legde de laatste hand aan zijn stropdas. Vandaag was zijn grote dag. Hij was 32 jaar en onlangs had hij zijn eerste betaalde schrijfopdracht gekregen. Hem was gevraagd om twee gedichten voor een voorstelling te schrijven en een viertal regels voor de actrices. Het toneelstuk ging over een schip uit de jaren 60 dat in het kleine stadje waar Henk woont had gelegen. Hij had alles over het schip te horen gekregen van de regisseuse van het toneelstuk die, om informatie te vergaren over die tijd, met de oudere inwoners van de stad gesproken had. Het schip was genaamd de 4seasons en had een beruchte naam gekregen in die tijd. Het schip lag naast een oude molen die niet meer in gebruik was sinds zijn verval in de vijftiger jaren. Sinds de komst van de 4seasons in het kleine stadje was er een zeilschool gekoppeld aan die boot. Zo wilden de ondernemers van het kleine stadje een grote waterstad maken. Er kwamen jongeren van over de hele wereld naar de 4seasons en zijn zeilschool. Ze kwamen om te zeilen en om de frisse wind door hun hoofden te laten waaien, zeker, maar ze kwamen vooral voor de vrijheid die ze thuis niet hadden. Vrij zijn is alles wat ze wilden. Gewoon van het leven genieten zoals zij dat voor ogen hadden, zonder regeltjes van hun ouders of hun school. Zij dachten dat ze daar niemand kwaad mee deden, maar sommige bewoners van het stadje dachten daar anders over. Ze noemden hen hippies,en waren bang dat die hippies van invloed zouden zijn op hun kinderen en dat hun kinderen ook zouden gaan blowen, drinken en vrijen met jan en alleman op dat schip. Op de 4seasons was het een en al vrijheid voor de jeugd, voor de hippies. Ze rookten wiet,dronken alcohol, maakten muziek en vrijden met elkaar. Soms sliepen ze wel met 80 man in de oude molen die naast het schip gelegen was. Henk grinnikte bij de gedachte aan de 4seasons en de dingen die daar gebeurd waren. Wat had hij die tijd graag meegemaakt! Seks, drugs en rock&roll. Dat was zijn ding!

Helaas zag zijn eigen leven er heel anders uit. Burgerlijk. Hij had een baan als leraar Nederlands op een middelbare school in een grotere stad twintig minuten fietsen van zijn woonplaats. Het waren allemaal etterbakken, die leerlingen van hem. Hoe vaak hij wel niet een grote mond moest incasseren. En dan al die propjes die naar zijn hoofd geslingerd werden! Hij was de studie Nederlands gaan volgen omdat hij dacht dat als hij maar genoeg met taal bezig zou gaan hij dan vanzelf beroemd zou worden. Hij zou het gaan maken als schrijver. Overal zou de naam Henk van Dorpen opduiken. In kranten, op de televisie. Tot nu toe was daar nog niets van terecht gekomen. Hij worstelde zich elke werkdag door en als hij thuis kwam schonk hij zichzelf een goedkoop rood wijntje in en ging voor zijn laptop zitten. Hij hield niet bijster veel van alcohol, maar alle schrijvers drinken, dat weet iedereen. Dus dronk hij ook. Het grote verschil met hem en het gros van de schrijvers was, dat hij het bij één wijntje kon houden.

Henk was een groot schrijver, dat voelde hij, en hij kon zich soms zeer ongelukkig voelen omdat hij al die tijd de enige was geweest die dat doorhad. Tot nu. Na jaren van doorploeteren had hij zijn kans gekregen. Een docente bij hem op school had wat van zijn gedichten gelezen nadat hij haar herhaaldelijk gevraagd had om er eens naar te kijken. Wie weet kon ze hem wel gebruiken voor een van zijn toneelstukken? Op een dag tikte de docente hem aan en zei dat de oorspronkelijke dichter ernstig ziek was geworden en zijn taken niet vol kon brengen. Of hij het niet over wilde nemen? Er was weinig tijd, de deadline naderde. Henk schudde haar de hand, bedankte haar en nadat ze had verteld waar de voorstelling over ging, stapte hij op zijn stalen ros en fietste zo snel als hij kon naar huis. Op de fiets begon hij te zingen van geluk. Ze hadden hem 350 euro beloofd om twee gedichten te schrijven. Henk had met opzet niet laten merken hoe veel geld hij dit vond. Hij zei dat hij het een prachtige idee vond, die voorstelling en dat hij het wel zou doen voor dat geld. Hij lachte hard toen hij besefte hoe koeltjes hij het had gespeeld. Man! Ze zouden eens moeten weten hoe lang hij al schreef voor niets.

Terwijl hij daar tussen de weilanden fietste passeerden enkele passanten hem. Een enkeling groette hem. De meesten deden net of ze hem niet zagen. Hij was altijd al een einzelgänger geweest. Hij had ook helemaal geen tijd voor mensen, hij moest carrière maken, schrijven!

Toen hij thuis kwam schonk hij zichzelf een extra groot glas wijn in om de inspiratie te laten komen. Hij zette nummers uit de jaren 60 en 70 op en danste door de woonkamer. ‘Laat de inspiratie maar komen!’ had hij gegild. Ja, dacht Henk, terwijl hij in de spiegel keek; Zijn stropdas zat goed, zijn pak zat hem als gegoten en zijn gedichten waren fantastisch gelukt. De toneel docente was erg blij met zijn bijdrage. Ze hadden een van zijn gedichten gebruikt als promotiemateriaal en op spandoeken geschilderd die langs de waterkant hingen. Elke dag liep hij daar rond, zat even op een bankje aan de waterkant en zei tegen voorbijgangers: ‘Ja, u heeft het goed gezien. Ik ben de beroemde dichter!’ Meestal zeiden ze niets terug. Een enkeling lachte of gaf hem een compliment waarna ze altijd snel doorliepen. Henk bedacht zich dat zij vrees voor hem kenden omdat hij nu zo succesvol was.

Hij liep naar de keuken. Hij had vandaag een ovenschotel voor zichzelf gemaakt. Aardappel puree met gehakt, prei en ketchup. Regenbooggehakt noemde hij het zelf. Hij was er dol op. Hij schepte op, schonk nog een wijntje in en begon te eten. Op de achtergrond klonk Janis Joplin. Hij neuriede zachtjes mee. ‘Freedom is just another word for nothing left to lose.’ Hij nam een laatste hap, veegde zijn mond af met zijn mouw en spoelde het bordje af onder de kraan. Hij keek naar de klok. Half zeven. Het was de hoogste tijd om te gaan. Om half acht begon de voorstelling en hij moest natuurlijk wel op tijd zijn om over de rode loper te paraderen. Hij liep naar het toilet, trok zijn broek naar beneden en deed zijn behoefte. Zijn ontlasting was de hele dag al waterig. Spanning. Hij veegde zich af, trok zijn broek op, waste zijn handen, pakte twee diarree remmers en twee oxazepammetjes uit een kastje in de keuken. Hij schonk zichzelf een groot glas water in, nam de pillen in, moest bijna kokhalzen door een plotselinge te grote hoeveelheid aan water en gooide de rest van het water weg. Hij pakte zijn sleutels, keek nog een laatste keer in de spiegel en glimlachte. Hij wist dat vanaf vanavond alles anders zou worden.

Hij stapte op zijn fiets en reed richting het stuk land waar het allemaal zou gaan plaats vinden. Hij was een beetje duf van de oxazepam, maar hij slikte het spul al zo lang dat hij van die sufheid geen grote hinder ondervond. Zijn vrolijkheid overheerste. Iedereen die hij tegenkwam groette hij amicaal, al had hij ze in jaren niet gesproken. De meesten groetten hem niet terug, maar vanavond kon hem dat niet schelen. Vroeger was dat nogal eens anders geweest. Hij kon zich een hele dag rot voelen als iemand hem niet had gegroet op straat. Op een gegeven moment was hij het zat om zich zo eenzaam te voelen, zo anders. Dus besloot hij dat hij maar het beste zo min mogelijk kon bestaan. Als kind was hij al nooit erg populair. Hij werd soms gepest, maar hij had wel een aantal vriendjes, tot Henk merkte dat hij die vrienden toch wel erg interessant begon te vinden. Hij kreeg op een dag gevoelens voor een van hen. Hij vond dit niet raar, was nooit erg bezig geweest met het hele hetero gebeuren en mensen in hokjes plaatsen. Hij had echt niet verwacht dat het uiten van zijn gevoelens tot enige problematiek zou gaan leiden. Op een dag had Henk -hij was toen vijftien, de vriend waar hij gevoelens voor had, uitgenodigd hem thuis. Het was een vrijdagavond en ze zouden een video gaan kijken. De film ging over een jongen die verliefd was op een meisje, maar zij was erg populair in de film en de jongen speelde een sul. Uiteindelijk won de jongen haar hart door gedichten voor haar te schrijven. Deze film leek Henk uiterst geschikt om samen met zijn geheime liefde Frank, te kijken. Hij had een gedicht voor Frank geschreven. Henk had het gedicht laatst terug gelezen en het was een erg matig gedicht, maar het kwam recht uit het hart en toentertijd was hij er van overtuigd dat zijn woorden Frank tot een krankzinnige staat van verliefdheid zouden brengen. Hij beschreef in het gedicht vooral hoe graag hij Frank wilde beminnen, hem kussen op zijn bezwete lijf. Hij zou liefde met hem kennen, haat en nijd. Destijds vond hij het een prachtig gedicht en Henk kon niet wachten om het gedicht aan Frank voor te dragen. Hij had zich dagen voorbereid op de bewuste avond. Hij had fris en twee biertjes uit de koelkast van zijn ouders gegapt en zijn moeder had chips en drop voor de jongens meegenomen uit de supermarkt.

Toen die avond de deurbel ging en Henk de deur opendeed voor Frank kon Henk zijn geluk niet op. Frank had zijn stoere leren jasje aan en hij had zijn haar in een vetkuif gemodelleerd. Mijn mooie stoere man, dacht Frank. Ze begroeten elkaar en nadat Frank de ouders van Henk had begroet liepen ze naar Henk zijn slaapkamer. Henk had zijn eenpersoonsbed tot een soort bank omgetoverd met kussens uit de slaapkamer van zijn ouders en hij had een bijzettafeltje uit de woonkamer mogen lenen van zijn ouders om daar het frisdrank en de chips en het snoep op te kunnen zetten. Henk haalde met een zelfvoldane glimlach de twee biertjes onder zijn bed vandaan. Frank zette grote ogen op en gaf hem een high five. Hij complimenteerde Henk met de buit en met een aansteker maakte Frank de biertjes open. Henk was daar nog niet zo bedreven in, maar hij wist dat hij het op een dag zou leren, al was het maar om Frank te imponeren. Ze dronken van hun bier en praatten even over de gebruikelijke dingen. Zeurende ouders, auto’s en voetbal. Over vrouwen hadden ze het weinig. Frank had een hele poos een vriendinnetje gehad, wel drie jaar en alhoewel hij er erg nuchter over deed dat het nu over was, kon Henk merken dat Frank nog zeer onder de breuk leed. Hij wist zeker dat Frank door zijn liefde dat stomme wijf helemaal zou vergeten. Ze zetten de film aan en toen de hoofdrolspeler zijn gedichten voorlas aan het meisje zei Frank : ‘Man, ik zou willen dat ik gedichten kon schrijven, dan zou ik elk meisje op deze aarde kunnen naaien’. Henk keek hem aan, nam een flinke slok van zijn bier en zei toen: ‘Frank, ik heb een gedicht geschreven, wil je het horen?’. Vreemd genoeg was hij helemaal niet zenuwachtig toen hij deze woorden uitsprak. Hij was er gewoon van overtuigd dat Frank ook stapelverliefd op hem was. ‘God, ja, waarom ook niet man’ zei Frank een beetje lacherig. Henk pakte het stuk papier waar het gedicht op geschreven stond uit zijn broekzak en legde een hand op Frank zijn been. Frank vroeg waar hij in godsnaam mee bezig was maar Henk trok zich hier niets van aan. Hij begon: ‘Lieve Frank’. ‘Lieve Frank, lieve Frank, wat lul je nou raar man?’ ‘En trek die hand van mijn been af!’ ‘Sorry Frank,’ zei Henk geschrokken. ‘Het is al goed, lees dat gedicht nu maar snel voor, dan kunnen we zo beginnen met de video.’ Frank nam de laatste slok van zijn biertje en nam een handvol chips. Henk haalde zijn hand van Frank zijn been af en begon zijn gedicht.

Terwijl hij zinnen uitsprak over diep in iemand willen, liefde kreunend ten gehore willen brengen, iemand horendol willen, krankzinnig verliefd, keek Henk de gehele tijd naar Frank. Frank keek niet terug. Hij had zich omgedraaid om zich beter te kunnen concentreren, tenminste, dat is wat hij zei. Net toen Henk dacht dat Frank moest huilen van ontroering omdat hij Frank zag schokschouderen, proestte Frank het uit van het lachen en zei: ‘Wat een klote gedicht man. Jezus, ben je homo of zo?’ Een paar seconden leek de wereld stil te staan voor Henk. Toen voelde hij de pijn, de intense pijn in zijn hart. Een duisternis kwam over hem heen en hij stond pijlsnel op, liep naar de kant van het bed waar Frank zat die zich nog steeds bescheurde om het gedicht van Henk en verkocht hem een flinke rechtse en toen nog een en nog een. Echt waar hij stompte dat lijf finaal in elkaar waar hij ooit van gehouden dacht te hebben en hij schreeuwde: ‘Ja, stomme flikker. Ja, ik ben verliefd op jou, begrijp dat dan!’ Frank schreeuwde om hulp maar Henk was sterker, veel sterker, bozer ook en hij bleef maar op Frank inslaan. ‘Als ik klaar met je ben duik ik bovenop je en naai ik je van achter,’ gilde Henk tegen Frank terwijl hij op hem in bleef slaan. Frank zei niets meer, Frank was heel stil. Henk stopte met slaan en deed zijn gulp open. Man, wat had hij een stijve, niet te min, en net toen hij Frank lachend en gillend met zijn piemel in zijn gezicht aan het slaan was, zwaaide zijn kamerdeur open en keek hij recht in het gezicht van zijn ouders. ‘Wat zullen we godverdomme hier hebben, vuile flikker!’ De stem van zijn vader. Daarna weet hij niets meer.

Henk werd wakker in een ziekenhuisbed. Zijn vader had hem het ziekenhuis ingeslagen. ‘Je verdiende loon,’ zo zei hij later. Henk is nooit opgepakt. In het kleine stadje waar hij woonde wilden mensen het onder elkaar oplossen. Nou, dat heeft hij geweten. Hij werd sinds die bewuste avond met Frank nooit meer gegroet op straat en als er al iets tegen hem gezegd werd dan was het: ‘Vuile flikker’ of ‘Gore verkrachter.’ In ieder geval iets in die trant. Het waren ellendige jaren, en voor zijn ouders was het ook moeilijk. Ook zij werden scheef aangekeken door wat Henk met Frank had gedaan. Henk heeft zijn middelbare school afgemaakt en is toen vertrokken naar de grote stad. Hij is puur gevlucht voor de mensen die hem scheef aankeken, want dat kleine stadje waar hij zijn hele leven gewoond had, daar hield hij van. De rust, het water en de weilanden.

Vier jaar geleden is hij hier teruggekomen. Hij kon niet aarden in de grote stad, had enkele vrienden, zelfs af en toe een vriendje, alleen hij bleef de rust en zijn thuis missen. Hij waagde de gok omdat zijn ouders hem vertelden dat het hele incident hem was vergeven. Zij hadden weer goed contact met de stadbewoners, mede omdat zijn vader een goedlopende elektronica zaak had geopend en een groot deel van zijn opbrengst in de stad zelf had gestoken. Aan de basisschool schonk hij veel boeken, en hij sponsorde de tripjes van het plaatselijke bejaardenhuis. Hij deed dit mede om weer in een goed licht te komen bij de rest van de bewoners. Zijn ouders waren nooit weggegaan, zij kenden geen andere plek dan waar ze vandaan kwamen en dat hielden ze graag zo.

In die vier jaar dat hij terug was gekeerd had hij wel weer vrienden gemaakt, maar dan in de stad waar hij werkte. In zijn geboortestad werd hij, anders dan zijn ouders beweerd hadden, nog met argusogen bekeken. Hij heeft zelfs een aantal doodsbedreigingen in zijn brievenbus gehad. Op een dag vond hij zelfs de kop van een dode vogel in zijn brievenbus. Sinds die gebeurtenis is hij erg angstig geworden en heeft hij zijn dosis oxazepam en antidepressiva op laten schroeven en wist hij via een illegale handelaar aan een pistool te komen. Hij had hem nog niet hoeven gebruiken, maar had hem altijd bij zich in het geval dat. Terwijl hij naar de voorstelling fietste voelde hij het pistool branden in zijn jaszak.

Hij voelde een vreemd soort plaatsvervangende schaamte voor de bekrompenheid van zijn stadgenoten. Hij had ermee leren leven, maar wist dat zodra hij zijn grote liefde gevonden had en eindelijk carrière gemaakt had als schrijver, hij zou vertrekken naar waar dan ook. Hij zou voor zijn vertrek persoonlijk alle deuren langsgaan en zijn stadsgenoten eens even goed de waarheid vertellen. En vanavond, vanavond was zijn grote overwinning. Hij had al ontelbare keren in zijn hoofd afgespeeld hoe hij over de rode loper zou lopen en hen allemaal flink zou uitlachen.

Met een grote glimlach kwam Henk aan op de plaats van bestemming. Het was al aardig druk, zag hij. Het terrein stond vol met auto’s en fietsen van bezoekers. Hij glimlachte bij de gedachte aan al die roemloze bezoekers die naar zijn voorstelling kwamen kijken. Want ook al had hij niet de voorstelling zelf geschreven en bedacht, het voelde als zijn voorstelling. Hij had een hele belangrijke rol. Hij zou de poëzie tot leven brengen vanavond.

Henk zette zijn fiets tegen een van de hekken aan en liep naar een beveiliger. Met een grote glimlach zei hij: ‘Goedenavond beste man, ik ben zoals u ongetwijfeld weet, de dichter. Waar is de rode loper?’ De beveiliger keek een paar seconden verbaasd naar Henk terwijl Henk bleef glimlachen en barste toen in lachen uit. Hij gierde van de pret terwijl hij zei: ‘Meneer de dichter, kijkt u eens om zich heen, u bent in een weiland. Niets geen rode loper, geef mij uw kaartje ter controle en u kunt doorlopen.’ Henk werd witheet van woede. ‘Schoft!’ ‘Een kaartje laten zien? Ik ben de grote ster hier vanavond! Laat me er langs of ik zal persoonlijk voor je ontslag zorgen!’ De beveiliger lachte hem nu recht in zijn gezicht uit. ‘Luister eens makker’, zei hij, ‘je kaartje overhandigen of opdonderen nu.’ Heel kalmpjes zei Henk: ‘Dit is het laatste wat je zult zien, makker,’ en haalde hard uit naar het gezicht van de beveiliger met zijn vuist. Raak. De beveiliger stond te wankelen op zijn benen. Henk haalde het pistool uit zijn jaszak, ontgrendelde hem en schoot de beveiliger door zijn kop. Niemand keek op of om. Henk was blij dat hij een geluiddempend pistool op de kop had weten te tikken. Hij gaf de beveiliger nog een schop na, borg het pistool op in zijn jaszak en liep rustig naar de grote tent toe waar al heel veel bezoekers op elkaar gepropt stonden te luisteren naar de presentator van de avond. ‘Arme schapen,’ dacht Henk. ‘Ze moeten zich wel stierlijk vervelen.’ Het gaf hem een goed gevoel dat hij vanaf nu de bezoekers een prachtavond kon gaan bezorgen.

Toen hij bij de tent kwam ging niemand aan de kant voor hem. Henk zette een hoog stemmetje op en gilde met luide stem: ‘Beste mensen, wilt u alsjeblieft aan de kant gaan voor de enige echte Henk van Dorpen.’ Snel zette Henk een bescheiden glimlach op. De mensen mochten natuurlijk niet denken dat hij nu hij beroemd was, een arrogante klootzak was geworden. Maar de mensen gaven nog geen krimp. Ze keken niet eens om. Nu was hij er klaar mee. Hij was de grote ster van de avond en toch werd hij zo onbeschoft behandeld. Dit kon niet langer zo doorgaan. Hij pakte het pistool en begon op de mensen in te schieten. Ze vielen om bij bosjes. De menigte begon te gillen en uiteen te stuiven. Hij riep: ‘Wie wegrent schiet ik zonder pardon neer!’ Ineens bleven ze allemaal stokstijf staan. Henk glimlachte. ‘Sukkels,’ dacht hij. Toen hij dacht wel genoeg ruimte te hebben, stapte hij over de lijken heen en liep naar het midden van de tent. Hij sloeg de verbouwereerde presentator neer en pakte de microfoon uit zijn handen. Hij begon te praten: ‘Goedenavond stelletje klootzakken. Ik ben de dichter.’ ‘Neem gerust een biertje of een fris terwijl ik mijn gedichten voordraag.’ Er begon iemand naar de bar te lopen en Henk schoot diegene zonder pardon neer. ‘Kan iemand die gek weghalen,’ gilde een vrouw. ‘Bel 112’ schreeuwde een man. ‘Sla hem in elkaar en schiet zijn longen eruit!’ brieste weer een ander. Henk zei niets. Viste het gedicht uit zijn zak, liep naar het midden van de tent en begon voor te dragen. Hij sprak over de creativiteit van de vrije geest en hoe zij in alles kunst kan zien. Hij sprak over de goede ouwe tijd, terwijl hij een meewarige blik het publiek in wierp om de dramatiek van het gedicht er extra goed in te peperen bij die klojo’s. Ze waren doodstil, de angsthazen.

Hij ging zo in zijn gedicht op dat hij pas doorhad dat er twee politieagenten voor hem stonden toen hij een hand zachtjes op zijn schouder voelde. ‘Goedenavond meneer van Dorpen,’ zei een van de agenten. ‘Wat goed om u te zien, we kregen een telefoontje van de boer binnen op wiens land u nu staat. Hij zei dat hij veel geschreeuw hoorde en zag u in uw eentje staan.’ Van Dorpen begon te lachen. ‘Boer?’ ‘Welke boer?’ ‘Die man zal toch wel weten dat er een grootse voorstelling op zijn land gaande is?’ ‘Kijk eens naar al het publiek meneer de agent.’ Henk knikte in de richting van de mensen. ‘Meneer van Dorpen, met alle respect, zei de politieagent, maar u staat tegen maïskolven te praten met een waterpistool in uw hand.’ ‘Nonsens,’ brieste Henk. ‘Jullie zijn me niet goed wijs, maïskolven!’ ‘Laat me niet lachen!’ ‘Hier staat een heel publiek dat heeft betaald om naar mijn voorstelling te luisteren en als jullie me nu willen excuseren, ik heb mijn plicht te doen’. ‘Wij ook, meneer van Dorpen, het spijt ons, maar we moeten u meenemen.’ ‘We hebben al contact gehad met de begeleiding op uw woonvorm en ze gaven aan dat ze u sinds het einde van de middag, na de voorlaatste controle, niet meer gezien hebben.’ ‘We zullen u moeten terugbrengen,’ sprak de agent Henk toe.

‘Luister, zei Henk, kunnen we dit ook buiten de tent bespreken?’ ‘Wat moet het publiek wel niet van me denken?’ ‘We lopen wel even een rondje meneer van Dorpen,’ zei de agent die tot nu toe stil was geweest. ‘Vlegel’ bitste Henk. ‘Hij pakte zijn microfoon weer en riep: ‘Beste mensen, klootzakken, aardbewoners, er zijn helaas wat calamiteiten. We nemen even een korte pauze om daarna bij u terug te komen, bestel ondertussen een drankje aan de bar, ik zal niet schieten deze keer, beloofd’.’ De jongere agent kon zijn lach niet meer inhouden: ‘Hij staat in een fucking maïskolf te praten, tegen een stel maïskolven, wat een maf.’ ‘Bek dicht, Ronny’ siste de ander. ‘Maïskolf, maïskolf?’ zei Henk. ‘Ik zal je op je bek timmeren met een maïskolf!’ Hij pakte zijn microfoon en sloeg de jongere agent op zijn kop. De maïskolf brak in tweeën. ‘Nu is het genoeg van Dorpen!’ De oudere agent sprong op Henk en werkte hem tegen de grond. Hij hield hem in de houdgreep tot de jonge agent brullend van het lachen de handboeien om had gedaan bij Henk.

Henk bleef de agenten uitschelden en tegelijkertijd het publiek zijn excuses aanbieden voor de hele toestand. De agenten zetten Henk omhoog en ze liepen richting de politie auto door het weiland van de boer die de hele situatie op een afstand gade stond te slaan met zijn gezin. De jongste had zich achter de benen van haar vader, de boer, verstopt. Henk zwaaide even naar ze. Ze passeerden de vogelverschrikker die Henk eerder op de avond een goede rechtse had verkocht en nadat het ding op de grond was gevallen had Henk dat ding eens goed onder handen genomen met zijn pistool. Henk zag het zelf niet meer. Hij werd gedwongen door te lopen door de agenten terwijl hij bleef huilen over zijn mislukte doorbraak.

Toen ze wegreden in de politieauto keek Henk naar de tent vol met mensen die hem nastaarden. Hij voelde zich rot dat hij een paar van hen had vermoord. Zo uit de verte leken het best sympathieke mensen. Toen de politieauto stopten voor zijn huis stonden er op de stoep twee vrouwen op hem te wachten. Ze kwamen hem bekend voor, al wist hij hun namen niet. Beide agenten stapten uit, maakten een praatje met de vrouwen en wierpen af en toe een snelle blik op Henk. Henk zelf wilde op het raam bonken om te vragen wat hier in godsnaam de bedoeling van was maar zijn handboeien zaten nog om en dus begon hij te schreeuwen of ze ook in hun eigen tijd wijven konden gaan versieren. Een van de vrouwen liep samen met de oudere agent naar de politieauto en deed de deur open. ‘Hallo meneer van Dorpen, fijn dat u weer veilig thuis bent.’
‘Hoe weet jij dat dit mijn huis is?’ brieste Henk. ‘Ik ben Femke, ik ben al vijf jaar lang uw persoonlijk begeleider en dat is Nadia, de verpleegkundige.’ Ze wees naar een jong meisje met donker haar en grote bruine ogen. Henk vond haar erg aantrekkelijk. ‘Dag Nadia,’ zei Henk met een glimlach. ‘Dag meneer van Dorpen.’ Zullen we even een kopje thee drinken om bij te komen?’ vroeg Nadia aan Henk. ‘Met jou altijd schat’ zei Henk.

De agenten deden de boeien af bij Henk en wensten hem nog een fijne avond. ‘U ook heren, u ook. Ik weet niet wat u hier kwam doen, of waarom ik boeien omhad, maar bedankt dat u ze weer af heeft gedaan, ik heb geen kwaad bloed in de zin!’ ‘Dat weten we van Dorpen,’ zei de oudere agent en ze liepen samen naar de auto en stapten in. Toen ze wegreden keek van Dorpen hen na en zei: ‘Rare knakkers, ze waren zeker in de war.’ Nadia pakte de arm van Henk en samen liepen ze naar het grote huis waar Henk een appartement had en met hem nog tien andere mensen.

Toen Henk de volgende dag wakker werd was hij blij dat hij een dag vrij had gekregen van zijn werk. Hij was zenuwachtig en wilde graag alleen zijn. Hij maakte die dag een wandelingentje langs de gracht waar hij vroeger vaak op een bankje zat. Hij herinnerde zich dat nog wel. Hij was toen een beetje in de war geweest. Hij had gedacht dat hij een beroemd dichter was en dat er een groot spandoek over het water hing met zijn gedicht. Nu wist hij wel beter. Hij kon niet schrijven, vond er zelfs geen zak aan. Nee, muziek, dat was zijn passie. Hij was een dirigent die op het punt van doorbreken stond. Hem was gevraagd om vanavond een zeer beroemde dirigent te vervangen in een groot concert in het grootste theater van het land. Alles was voor hem geregeld. Een taxi, een fikse vergoeding en een gloednieuw pak. Het pak zat hem als gegoten. Als hij vanavond alles goed deed kon hij eindelijk zijn baan in de bouw opzeggen. Hij haatte die baan. De vroege tijden, het zware tillen. Man, zijn hele rug was naar de klote door dat werk.

Ja, vanavond zou hij schitteren in die prachtige theaterzaal. Vanavond zou hij eindelijk erkenning krijgen als dirigent. Alle kranten zouden over hem schrijven en hij zou voor televisie gevraagd worden. Glimlachend liep van Dorpen naar huis, trok zijn pak aan, trok zijn stopdas recht, keek nog een keer in de spiegel en liep toen naar de keuken. Hij schonk een wijntje in, zette klassieke muziek aan op de radio en haalde de ovenschotel uit de oven. Vanavond at hij regenbooggehakt. Dat was lang geleden.